Terugvordering van persoonsgebonden budgetten in de Jeugdwet: zeker een hobbelpad en waarschijnlijk een onbegaanbare weg!

Inleiding

Als het college van oordeel is dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is, dient het op grond van artikel 8.1.6 Jeugdwet met de aanvrager te overleggen over de wijze waarop de voorziening gerealiseerd wordt: in de vorm van een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Als de aanvrager voor dat laatste kiest en aan de voorwaarden voldoet, kent het college een persoonsgebonden budget toe. Met het budget kunnen de jeugdige of zijn ouders zelf bepalen bij welke jeugdhulpverlener ze de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort inkopen. Er wordt echter geen bedrag uitgekeerd aan de budgethouder (de jeugdige of zijn ouders) maar er wordt een bedrag ter besteding beschikbaar gesteld.  Voor een trekkingsrecht is gekozen om fraude met besteding van het budget zoveel mogelijk te voorkomen. Op grond van artikel 8.1.8 Jeugdwet voert de Sociale verzekeringsbank namens de colleges de betalingen ten laste van verstrekte budgetten, alsmede het hiermee verbonden budgetbeheer uit. Bij een persoonsgebonden budget zijn dus minstens[1] vier partijen betrokken: het college van burgemeester en wethouders (college), de Sociale verzekeringsbank, de budgethouder en de jeugdhulpverlener. Wat betekent deze vierpartijenrelatie nu voor besluiten tot terugvordering van ten onrechte verstrekte persoonsgebonden budgetten in het kader van de Jeugdwet. Daarover gaat deze bijdrage, aan de hand van de volgende casus.

De casus

Ten behoeve van hun dochter, Ariadne (12 jaar), vragen haar ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp. Het college onderzoekt de melding en komt tot de conclusie dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is. Ouders vragen het college de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget te verstrekken. Zij leggen daartoe een budgetplan over waarin ze vermelden dat de begeleiding (20 uren per week) plaatsvindt door de buurvrouw. Moeder zal het budget beheren als wettelijk vertegenwoordiger van Ariadne. Het college kent vervolgens het persoonsgebonden budget toe voor de gevraagde uren tegen een uurtarief van € 20,- ingaande 1 mei 2019. Per toeval komt de jeugdconsulent er in februari 2020 achter dat ouders sinds 27 april 2019 uit elkaar zijn, dat Ariadne bij vader woont en dat er geen contact is tussen moeder en kind. De buurvrouw heeft de hulp nooit verleend. Wel is al die tijd, aan de hand van door moeder goedgekeurde declaraties, door de Sociale verzekeringsbank uitbetaald aan de buurvrouw. Het college besluit tot intrekking van het persoonsgebonden budget en tot terugvordering van het ten onrechte uitbetaalde persoonsgebonden budget.

De oplossing van de casus lijkt betrekkelijk voor de hand liggend: kennelijk is ten onrechte een persoonsgebonden budget toegekend en, ervan uitgaande dat de feiten correct zijn vastgesteld, is het een juiste uitkomst dat het besluit tot toekenning van het persoonsgebonden budget wordt ingetrokken en dat het ten onrechte betaalde bedrag aan de gemeente wordt terugbetaald. Toch zijn er de nodige complicaties en die hangen samen met de wijze waarop de wetgever herziening, intrekking, terugvordering en invordering in de Jeugdwet heeft geregeld en met de gekozen vorm van het trekkingsrecht. Want bij wie kan het college het teveel betaalde terugvorderen? Wat is de wettelijke grondslag waarop de bevoegdheid tot terugvordering berust? Hoe is de verhouding tussen de vier betrokken partijen: college, Sociale verzekeringsbank, budgethouder en hulpaanbieder?[2]

Deze bijdrage beperkt zich tot de situatie waarin het college een intrekkingsbesluit genomen heeft en het ten onrechte betaalde wil terugvorderen. De uitdagingen bij het vierpartijensysteem zijn echter groter: wat dient het college te doen als het persoonsgebonden budget wel is benut maar de Sociale verzekeringsbank een fout maakt waardoor de jeugdhulpverlener teveel geld wordt overgemaakt? Of wat als de Sociale verzekeringsbank geen fout maakt maar het college in de communicatie naar de Sociale verzekeringsbank een verkeerd bedrag noemt? De beantwoording van deze vragen gaat het bestek van deze bijdrage te buiten.

In deze bijdrage zal eerst worden ingegaan op het trekkingsrecht en de verhouding tussen de vier partijen die daarbij betrokken zijn. Daarna zal nader worden ingegaan op de herziening en intrekking van het persoonsgebonden budget en tenslotte op de vraag of en op welke wijze terugvordering kan plaatsvinden.

De verhouding tussen de bij het trekkingsrecht betrokken partijen

Welke verhoudingen bestaan nu tussen de bij het persoonsgebonden budget betrokken partijen? De verhouding tussen college en de budgethouder is bestuursrechtelijk van aard. Het college besluit tot het toekennen van een persoonsgebonden budget op grond van artikel 8.1.1 Jeugdwet aan de budgethouder. Op grond van de Jeugdwet verkrijgt deze de beschikking over een bedrag dat hij kan  besteden voor het inzetten van de hulp. Het college is verplicht dat bedrag te (doen) betalen als aan de voorwaarden is voldaan, de budgethouder is (onder meer) verplicht het bedrag te besteden voor het doel waarvoor hij het heeft verkregen en het college te melden als zich feiten en omstandigheden voordoen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget.[3]

De budgethouder koopt met het toegekende budget de benodigde hulp in. Dat doet hij door het sluiten van een arbeidsovereenkomst, overeenkomst van opdracht of overeenkomst van vervoer met iedere derde die hij ten laste van het persoonsgebonden budget jeugdhulp laat verlenen.[4] De verhouding tussen de budgethouder en de jeugdhulpverlener is dus privaatrechtelijk van aard: de budgethouder sluit een contract met een jeugdhulpverlener.[5]

De overeenkomst tussen budgethouder en jeugdhulpverlener moet op grond van artikel 8a Regeling Jeugdwet worden goedgekeurd door het college en door de Sociale verzekeringsbank. Blijkens de Nota van Toelichting[6] kan de goedkeuring worden onthouden wegens strijd met het recht, het belang van de uitvoerbaarheid van het budget of van het door de Sociale verzekeringsbank te verrichten budgetbeheer. In de praktijk betekent dit dat de Sociale verzekeringsbank de overeenkomst afkeurt als die in strijd is met het fiscaal recht of het arbeidsrecht. De Sociale verzekeringsbank  hanteert eigen beleidsregels als het gaat om het invullen van het belang van de uitvoerbaarheid of het budgetbeheer op grond van de wet. Het college beoordeelt de overeenkomst op inhoudelijke gronden: welke ondersteuning of hulp wordt ingekocht en is dit in lijn met het doel waarvoor het budget is toegekend? De beslissing tot goedkeuring van een overeenkomst is, blijkens een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).[7] De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB), gedaan in het kader van de Wet langdurige zorg, waarin een soortgelijke goedkeuringsregel is opgenomen, waarin deze tot dezelfde conclusie komt.[8] De privaatrechtelijke rechtsbetrekking tussen budgethouder en jeugdhulpverlener wordt dus bestuursrechtelijk bekrachtigd door college en Sociale verzekeringsbank.

Uit het voorgaande volgt al dat de relatie tussen budgethouder en Sociale verzekeringsbank een bestuursrechtelijke is. In artikel 8b Regeling Jeugdwet is geregeld aan welke verplichtingen de budgethouder moet voldoen wil de Sociale verzekeringsbank overgaan tot betaling aan de jeugdhulpverlener. Het gaat dan bijvoorbeeld om een handtekening van de budgethouder op de schriftelijke declaratie van de jeugdhulpverlener die binnen vier weken nadat de budgethouder de declaratie heeft ontvangen bij de Sociale verzekeringsbank moet zijn ingediend.

De relatie tussen Sociale verzekeringsbank en de jeugdhulpverlener is vormgegeven in artikel 8b Regeling Jeugdwet. De Sociale verzekeringsbank verricht betalingen uit het persoonsgebonden budget aan de jeugdhulpverlener als aan de in het derde lid genoemde voorwaarden is voldaan. De verhouding tussen Sociale verzekeringsbank en jeugdhulpverlener is naar mijn idee bestuursrechtelijk van aard. De betaling vloeit immers voort uit een besluit (tot het verstrekken van een persoonsgebonden budget). Titel 4.4 van de Awb, dat de bestuursrechtelijke geldschulden regelt is daarmee van toepassing. Blijkens het zevende lid van artikel 8b Regeling Jeugdwet verricht de Sociale verzekeringsbank betalingen uit het persoonsgebonden budget zonder dat dit bij beschikking wordt vastgesteld, een verwijzing naar artikel 4:88 Awb.

Resteert nog de relatie tussen het college en de Sociale verzekeringsbank. Uit het voorgaande is al duidelijk geworden dat de Sociale verzekeringsbank moet worden aangemerkt als een bestuursorgaan wanneer het bijvoorbeeld besluit tot het niet overgaan tot betaling of het al dan niet goedkeuren van een overeenkomst. In artikel 8.1.8, eerste lid, Jeugdwet is bepaald dat de Sociale verzekeringsbank betalingen uitvoert ten laste van verstrekte budgetten en het daarmee verbonden budgetbeheer namens de colleges. Is hiermee een vorm van mandaat bedoeld? Ik denk niet dat dit de bedoeling van de wetgever is geweest. Op grond van artikel 10:3, eerste lid, Awb is immers het bestuursorgaan zelf bevoegd tot het verlenen van mandaat. Het ligt niet voor de hand dat de wetgever dat doet. Bovendien zou mandaat ook betekenen dat het college zelf nog bevoegd is betalingen te doen. Tenslotte kent de Regeling Jeugdwet nadrukkelijk bevoegdheden toe aan de Sociale verzekeringsbank tot weigering van betaling. Ik meen dat de wetgever bedoeld heeft dat de betalingen uit het budget en het budgetbeheer door de Sociale verzekeringsbank worden uitgevoerd voor het college maar op eigen naam.[9] Er zijn twee bestuursorganen betrokken bij de toekenning en uitvoering van een beschikking tot het verstrekken van een persoonsgebonden budget met elk zelfstandige, maar wel van elkaar afhankelijke beslissingsbevoegdheden.

In dit overzicht is niet een relatie tussen college en jeugdhulpverlener opgenomen. Dat is niet verwonderlijk: die relatie is er ook niet. De jeugdhulpverlener verleent op grond van de overeenkomst hulp aan de budgethouder en via de Sociale verzekeringsbank krijgt hij voor de hulp aan de budgethouder betaald. Dat het geld uit de pot van het college komt maakt niet dat er een relatie tussen college en jeugdhulpverlener komt. De betaling geschiedt immers op eigen naam door de Sociale verzekeringsbank.

Herziening en intrekking van een persoonsgebonden budget

Terug naar de casus. Het college heeft besloten het toegekende persoonsgebonden budget in  te trekken. Op grond van artikel 8.1.4 Jeugdwet kan het college een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget herzien of intrekken als het college vaststelt dat aan een van de vijf in het eerste lid genoemde gronden is voldaan. Herziening en intrekking hebben beide betrekking op het verleden. Bij intrekking gaat het om de situatie waarin achteraf blijkt dat in het geheel geen aanspraak bestond, in geval van herziening blijkt achteraf dat wel enige aanspraak bestond maar niet de oorspronkelijk beschikte aanspraak. De herziening of intrekking van een aanspraak leidt op zichzelf nog niet tot de verplichting tot terugbetaling. Uitsluitend wordt vastgesteld wat achteraf de juiste aanspraak is.

De gronden voor intrekking of herziening van een persoonsgebonden budget betreffen, kort samengevat, situaties waarin het college heeft vastgesteld dat bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, dat de jeugdige of zijn ouders niet meer zijn aangewezen op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget, dat de individuele voorziening of het daarmee samenhangende budget niet meer toereikend is te achten, dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden en dat het budget voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor het bestemd was.

Artikel 8.1.4 Jeugdwet ziet uitsluitend op herziening of intrekking van een persoonsgebonden budget. Als een voorziening in natura is toegekend en daaraan blijkt op enig moment geen behoefte meer te bestaan, zal het college van burgemeester en wethouders de voorziening kunnen beëindigen. Van intrekking of herziening is dan geen sprake. Dat is in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) anders geregeld. Daarin bepaalt artikel 2.3.9 dat het college periodiek onderzoek of een beslissing tot toekenning van een maatwerkvoorziening of tot toekenning van een persoonsgebonden budget moet worden heroverwogen.[10] Artikel 2.3.10 Wmo 2015 bepaalt vervolgens dat zo’n beslissing, als daartoe aanleiding bestaat, kan worden herzien of ingetrokken. Waarom de heroverweging in het kader van de Jeugdwet alleen ziet op het persoonsgebonden budget en in de Wmo 2015 zowel op het persoonsgebonden budget als de voorziening in natura is onduidelijk; de parlementaire geschiedenis laat zich daar niet over uit.  

Het college is bevoegd in de casus te komen tot intrekking van het besluit tot het verstrekken van een persoonsgebonden budget. De budgethouder (moeder) was verplicht het college te informeren over de scheiding en het verblijf van Ariadne bij de vader. Als ze die informatie had verstrekt, was het college niet overgegaan tot het verstrekken van het budget aan haar. Als er overigens geen ander belang is dat noopt tot een ander besluit, zal intrekking van het besluit niet tot juridische problemen leiden.

Terugvorderingsgrondslag ontbreekt in de Jeugdwet. En nu?

Met het besluit tot het intrekken van het persoonsgebonden budget is het bestede geld nog niet teruggevloeid in de gemeentekas. Daarvoor dient het college nog een ander besluit te nemen: een terugvorderingsbesluit. In het besluit stelt het college vast welk bedrag – naar achteraf blijkt – ten onrechte is betaald en verzoekt het college de budgethouder het bedrag terug te betalen aan de gemeente. Op grond van het legaliteitsbeginsel dient een bevoegdheid van het bestuursorgaan te berusten op een wettelijke grondslag. Echter, in de Jeugdwet is geen wettelijke grondslag te vinden voor het nemen van een terugvorderingsbesluit. Betekent dit dat nooit terugvordering kan plaatsvinden? Niet per definitie.

Kunnen algemene rechtsbeginselen een grondslag bieden?

In het verleden is aangenomen dat een bevoegdheid tot terugvordering kan worden gebaseerd op in het privaatrecht geregelde beginselen die als algemeen rechtsbeginsel, ook in het bestuursrecht van toepassing zijnde beginselen hebben te gelden. Als zodanig zijn aangemerkt het beginsel van onverschuldigde betaling[11] en het beginsel van ongerechtvaardigde verrijking.[12] Beide rechtsbeginselen zijn van bestuursrechtelijke aard wanneer hun werking zich doet gevoelen in door het bestuursrecht beheerste verhoudingen. Voor bestuursorganen schept het dan een bevoegdheid omtrent de aanwending waarvan per geval moet worden beslist, met inachtneming van de algemene bestuursrechtelijke normen die de aanwending van discretionaire bevoegdheden beheersen. Een dergelijke beslissing, die strekt tot voldoening aan de bestuursrechtelijke voorwaarden voor een rechtmatige terugvordering, opdat naar het bestuursrecht een betalingsverplichting ontstaat, is gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg. Dit zou betekenen dat een terugvorderingsgrondslag zou kunnen worden aangenomen als sprake is van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking.

Artikel 6:203 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat degene die zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd is dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Het college heeft het besluit tot toekenning van een persoonsgebonden budget ingetrokken. Als het toekenningsbesluit al tot uitvoering was gekomen, is er onverschuldigd betaald en zou een terugvorderingsgrondslag kunnen worden gevonden in het rechtsbeginsel van onverschuldigde betaling. Maar wie heeft onverschuldigd betaald en aan wie is onverschuldigd betaald? Hier doet zich het vierpartijensysteem gelden. Het college heeft niet betaald; de Sociale verzekeringsbank heeft dat gedaan. Nu zou je kunnen stellen dat de Sociale verzekeringsbank dat niet met eigen middelen maar met gemeentelijke middelen doet en daartoe door de Jeugdwet in staat wordt gesteld: de Sociale verzekeringsbank voert immers de betalingen uit namens het college. Maar dan is er een volgende hobbel: de Sociale verzekeringsbank betaalt het budget niet uit aan de budgethouder maar aan de jeugdhulpverlener. Het college richt (logischerwijze) het besluit tot terugvordering niet aan de jeugdhulpverlener maar aan de budgethouder. De ontvanger van de onverschuldigde betaling is niet de budgethouder maar de jeugdhulpverlener. Bovendien is het nog de vraag of, bezien vanuit het oogpunt van de jeugdhulpverlener, van onverschuldigde betaling sprake is: er is immers volgens zijn wederpartij bij de overeenkomst, wel een prestatie verricht en die wederpartij, de budgethouder, heeft de declaratie van de jeugdhulpverlener ook geaccordeerd. Mijn conclusie is dat het college geen terugvorderingsgrondslag kan vinden in het algemeen rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd betaald is teruggevorderd kan worden. Er is immers geen band tussen het college en de ontvanger van de betaling terwijl het terugvorderingsbesluit is gericht op de budgethouder.

Dan is de vraag of het algemeen rechtsbeginsel van ongerechtvaardigde verrijking een grondslag voor een terugvorderingsbesluit kan bieden. Artikel 6:212 BW bepaalt dat hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Vereist is hier dat sprake is van een verrijking van de een en een verarming van de ander, waartussen een voldoende verband moet bestaan. Bovendien moet die verrijking ongerechtvaardigd zijn. Dat de gemeente verarmd is, behoeft geen betoog. Dat een ander verrijkt is evenmin. Maar wie is verrijkt en is er een voldoende verband tussen verrijking en verarming? Dat zal van de omstandigheden afhangen: het terugvorderingsbesluit ziet op de budgethouder. Die had een bepaalde prestatie verwacht van de jeugdhulpverlener, die hij kennelijk niet gekregen heeft. De budgethouder is dus niet verrijkt. De jeugdhulpverlener vermoedelijk wel: die had een prestatie moeten verrichten, die hij niet verricht heeft. Maar hij kreeg er, via de Sociale verzekeringsbank, wel voor betaald. Kan het college dan het terugvorderingsbesluit tot de jeugdhulpverlener richten? Dat lijkt me weer problematisch vanwege de vraag of sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking. Er is immers een rechtvaardiging voor de verrijking van de jeugdhulpaanbieder: de overeenkomst die hij heeft met de budgethouder. Die heeft immers de prestatie (of beter gezegd: het gebrek aan prestatie) van de jeugdhulpverlener geaccordeerd. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden opgemaakt dat een verrijking die haar grondslag vindt in een rechtshandeling niet ongerechtvaardigd is.[13] Mijn conclusie is dat het algemeen rechtsbeginsel van ongerechtvaardigde verrijking geen grondslag biedt voor een besluit tot terugvordering van ten onrechte uitbetaalde persoonsgebonden budgetten. Niet bij de budgethouder, maar ook niet bij de jeugdhulpverlener.

Is de bevoegdheid tot terugvordering aan te merken als een geïmpliceerde bevoegdheid?

Het legaliteitsbeginsel vereist dat eenzijdig door bestuursorganen op te leggen verplichtingen op een wettelijke grondslag berusten. Het meest belangrijke daarbij is dat het doel van de wettelijke grondslag voldoende duidelijk is. Naarmate een grondslag de belangrijkste voorwaarden vermeldt waaronder de bevoegdheid kan worden uitgeoefend, is hij meer concreet. Nog concreter wordt het wanneer de grondslag ook duidelijk aangeeft welke voorschriften kunnen worden verbonden aan besluiten die op basis van de grondslag worden genomen. Dat is echter lang niet altijd het geval. Als nu het wettelijk voorschrift wel een wettelijke bevoegdheidsgrondslag biedt maar niet de mogelijkheid biedt tot het stellen van voorschriften, is er dan geen bevoegdheid die voorschriften te stellen? Zover gaat het legaliteitsbeginsel niet: de bevoegdheid tot het stellen van voorschriften wordt geacht te zijn geïmpliceerd in de bevoegdheid zelve onder het motto “wie het meerdere (weigeren) mag, mag het mindere (verlenen met voorschriften) ook”. Daarbij gelden uiteraard beperkingen zoals de beperking dat de voorschriften moeten strekken tot bescherming van het belang waarvoor het vereiste van het besluit is gesteld en de beperking dat het bestuursorgaan beleidsruimte heeft.[14]

Er zijn ook andere geïmpliceerde bevoegdheden. De bevoegdheid een begunstigende beschikking in te trekken of te wijzigen, ook als het wettelijk voorschrift daar niet expliciet in voorziet bijvoorbeeld. Ook voor besluiten tot terugvordering geldt dat deze zouden kunnen worden aangemerkt als geïmpliceerde bevoegdheid van de bevoegdheid tot het toekennen van een bijdrage. Is dat in de Jeugdwet dan ook het geval? We hebben hier te maken met eenzelfde situatie als hiervoor genoemd bij de onverschuldigde betaling. Het college heeft een bevoegdheid een persoonsgebonden budget toe te kennen aan de budgethouder. Die kan daarmee de hulp inkopen die hij nodig acht. Maar als de budgethouder nooit over het geld beschikt, op grond waarvan kan het college dan bij die budgethouder het geld terugvorderen?

Merkwaardig is dat in de parlementaire geschiedenis het besluit tot terugvordering wel degelijk wordt genoemd. In de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Jeugdwet[15] is aan de terugvordering aandacht besteed in die zin dat verwezen wordt naar het derde lid van artikel 8.1.4 dat ziet op de invordering bij dwangbevel. Gesteld wordt dat invordering mogelijk is na een besluit tot terugvordering en dat daarmee aangesloten wordt bij “de andere decentralisatiewetten, waarin het college de bevoegdheid is toegekend tot uitvaardiging van een dwangbevel bij het terugvorderen van ten onrechte genoten ondersteuning (Wmo 2015) of bijstand (Participatiewet).” Anders dan in die wetten is echter in de Jeugdwet niet een grondslag voor terugvordering in de wet opgenomen. Zo bepaalt artikel 2.4.1, eerste lid, Wmo 2015 dat het college, onder voorwaarden, kan terugvorderen van de cliënt (budgethouder) en van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend. Daarmee schept de wetgever in de Wmo 2015 een bevoegdheid om ook van de derde, de hulpverlener terug te vorderen.[16]

Biedt de bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel een grondslag voor terugvordering?

Het derde lid bepaalt van artikel 8.1.4 Jeugdwet bepaalt dat het college bij dwangbevel het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget kan invorderen. Is het nu mogelijk uit de bevoegdheid tot het invorderen bij dwangbevel af te leiden dat het college ook kan besluiten tot terugvordering? In ieder geval kan geen sprake zijn van een invordering als niet eerst is vastgesteld wat teruggevorderd kan worden. Zonder bevoegdheid tot terugvordering zou de bevoegdheid tot invordering zinloos zijn toegekend voor zover geen sprake is van een civielrechtelijke grondslag. Het punt blijft echter dat bij de toekenning van het persoonsgebonden budget niet een bedrag maar een aanspraak tot betaling aan een derde wordt geboden. Dat er mogelijk bij dwangbevel ingevorderd kan worden doet daaraan niet af.

Conclusie

Mijn conclusie is dat er geen wettelijke grondslag en ook geen andere grondslag is aan te wijzen die kan worden benut voor het terugvorderen van een persoonsgebonden budget in de hier beschreven situatie. Hoewel terugvordering alleszins gerechtvaardigd is, is het aan de wetgever om een adequate juridische fundering toe te voegen. En dat heeft de wetgever tot heden nagelaten.

1 november 2020

Willie Elferink


[1] Er kan nog een vijfde partij bijkomen: als de budgethouder niet zelf voldoet aan de eisen van bekwaamheid gesteld in artikel 8.1.1, tweede lid, Jeugdwet maar daarvoor een mentor, bewindvoerder of iemand anders inschakelt. .

[2] Zie in dit verband ook: R.M. van Male – Labyrint van Pgb-perikelen, Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht, 2019/43.

[3] Artikel 8.1.2, eerste lid, Jeugdwet.

[4] Artikel 8a Regeling Jeugdwet.

[5] Hier wordt bewust het woord jeugdhulpverlener gebruikt en niet jeugdhulpaanbieder. Een jeugdhulpaanbieder biedt jeugdhulp onder verantwoordelijkheid van het college: zie artikel 1.1 Jeugdwet. Daarvan is hier geen sprake: de hulp wordt geboden onder verantwoordelijkheid van de budgethouder.

[6] Staatscourant 29 juli 2016, 40557.

[7] Rechtbank Rotterdam 6 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5866.

[8] CRVB 5 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3715.

[9] Van Male t.a.p. komt tot de conclusie dat sprake is van een slordigheid van de wetgever. Daar kan ik me zeker in vinden.

[10] De Jeugdwet beperkt de heroverwegingsplicht tot de persoonsgebonden budgetten: zie artikel 8.1.3 Jeugdwet.

[11] Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) 21 oktober 1996, ECLI:NL:RVS:1996:ZF2335 en CRVB 26 februari 1987, ECLI:NL:CRVB:1987:AK3418

[12] Zie hiervoor ABRS 26 augustus 1997, ECLI:NL:RVS:1997:ZF2913

[13] HR 30 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7928

[14] Zie hierover F.J. van Ommeren, Het legaliteitsbeginsel in het staats- en bestuursrecht: opkomst en ondergang van de geïmpliceerde bevoegdheden?, RM Themis 2002, bladzijde 123.

[15] TK 2013-2014, 33 983, nr. 3, pagina 20.

[16] Zie ook  CRVB 11 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:667.